Beelden

Pulp Fiction  [modderpoezie]

Op de huid van het werk van Sjef Henderickx klontert de materie samen. Als op laarzen na een wandeling door de modder. Dit zijn geen beelden die uit een stuk marmer zijn gehouwen. Geen sluimerende waarheden die alleen nog moeten worden bevrijd van de [g]ruis die hen omringd. De beelden van Henderickx ontstaan uit een anorganische wildgroei van de drift om te verzamelen Het zijn stofzuigers. Ze vegen de restanten van de geschiedenis bijeen en wildplakken deze aan hun immer uitdijende buitenzijde. De marmeren brokjes en de scherven de gebroken hamer en de botte beitel. Allemaal vinden zij een plaats in de Wunderkammer vann Sjef Henderickx.
 

Maar de archeoloog in Henderickx is niet alleen een verzamelaar van stukgeslagen overblijfselen, hij is ook spoorzoeker. De klei die aan de laars kleeft laat een leegte achter. Voetstappen die vol water lopen. Ook de antivorm is een deel van het verhaal. Hoe langer geleden, verder weg en onherkenbaar in al zijn facetten, hoe groter de aanwezigheid in het werk van Sjef Henderickx. Hij leest terwijl hij de bladzijden verscheurt, in de lijm stampt en tot papierpulp reduceert. Een archeologische acceleratie van de tijd die de tekst in papiermodder verandert. Alles gaat op de composthoop en wordt teruggebracht tot een vruchtbaar spoor. Papier wordt vorm en de inkt van de letters lost op in kleur.

Deze compostering van betekenis is een posthistorische strategie om de dingen, en de sporen van de dingen, hun metaforische zeggingskracht terug te geven. Maar uiteindelijk geldt deze bevrijding natuurlijk niet de objecten zelf. Die geven daar niet om. De bevrijding geldt voor ons, het publiek, en zoals iedere vrijheid is ook deze niet vrijblijvend. Zoals de scherf van de archeoloog verbeelding eist om tot leven te komen zo geeft ook de pulp haar geheimen niet zomaar prijs. Het spoor van Henderickx leidt ons terug naar de Wunderkammer waar de reconstructie van de verbeelding kan beginnen.


Citaat uit de catalogus Xenophora,

Arne Hendriks